Ons voorbeeld: oud hoofd-commissaris Jan Blaauw.

Interview in juni 1997 met oud-hoofdcommissaris Blaauw over zijn boeken en archiefonderzoek

(Uit  het Archievenblad van september 1997).

 

Gepensioneerd en gepassioneerd

 

Na precies veertig jaar nam hoofdcommissaris Blaauw in 1990 afscheid van de Rotterdamse politie. Sinds zijn pensionering publiceert hij vrijwel jaarlijks boeken over beruchte moordzaken. Hij reconstrueert deze zaken onder andere op grond van rechtbank- en politiearchieven. Zo heeft hij de beruchte moordzaak op een haltechef van de spoorwegen in Giessen-Nieuwkerk uit de twintiger jaren in het rijksarchief in Noord-Holland bestudeerd. Hierover publiceerde hij in 1996 in het boek 'Verdacht van moord. Reconstructie van zes dubieuze Nederlandse moordonderzoeken'. Zijn laatste boek 'De moord op Marietje van Os en andere geruchtmakende moordzaken' verscheen in 1997.

Hoe is uw carrière verlopen als politieman?

Mijn vader was bij de politie. Van hem heb ik de heilige uitgangspunten van het vak geleerd. Ik ben in 1950 als aspirant-agent op 21-jarige leeftijd begonnen bij de politie te Rotterdam. Binnen die veertig jaar bij de Rotterdamse politie heb ik alle diensten doorlopen: van de geüniformeerde dienst tot de recherche, de zeden- en kinderpolitie, de verschillende recherche diensten zoals, moordzaken, narcotica, centrale recherche en het regionaal bijstandteam. Na een opleiding van zes maanden aan de agentenschool, volgde ik naast mijn baan, de politieacademie te Hilversum. Toen ik het inspecteursdiploma had behaald in 1956, kreeg ik zeer tot mijn verbazing, een aanbod van de toenmalige hoofdcommissaris om inspecteur te worden in Rotterdam. Dat was niet gebruikelijk. Van agent werd je inspecteur. Dat was een hele grote stap: van twee strepen naar twee sterren. In 1966 liep ik een aantal maanden stage in Chicago en Kansas City. Na de rang van hoofdinspecteur en commissaris behaalde ik in 1985 de eindrang van hoofdcommissaris van politie te Rotterdam.

Hoe bent u op het spoor gekomen van deze beruchte en dubieuze moordzaken?

De herkomst van die zaken is voor mij vrij simpel te verklaren. Op de een of andere wijze had ik er beroepsmatig mee te maken: het zij zelf, dan wel door mijn interesse in moordzaken. Ik ken gewoon veel zaken. Op het gebied van serie-moorden heb ik vrij veel onderzoek gedaan. Ik heb heel veel legendarische Duitse serie moordenaars in de literatuur of in de archieven bestudeerd. Vanuit mijn vak interesseert mij de werkwijze, de verhoortaktiek en de tactiek bij het opsporen van een moordenaar. Vervolgens heb ik een aantal zaken geselecteerd en beschreven in tot nu toe vijf boeken.

Tijdens mijn bezoek in 1990 aan Amerika zag ik bij toeval een encyclopedie van seriemoordenaars en daar stond een Duitser bij, een zekere Bruno Lüdke. In de encyclopedie stond dat Lüdke de grootste sex-moordenaar van West-Europa was, met 83 moorden op zijn naam. Dat vond ik vreemd, want van Lüdke had ik nog nooit gehoord, terwijl ik heel veel Duitse seriemoordenaars heb bestudeerd. Terug in Nederland wilde ik daar onderzoek naar doen.

In de literatuur was een artikel verschenen van een Kriminalkommissar uit Hamburg uit begin van de jaren vijftig. De moorden waarvoor Lüdke opgepakt was, speelden tussen de jaren 1922-1943. Hij schreef dat hij twijfel had over twee of drie bekentenissen van Lüdke. De dossiers zouden waarschijnlijk bij een bombardement verloren zijn gegaan. Nou interesseren mij valse bekentenissen enorm. Met hulp van Berlijnse collega's ben ik op zoek gegaan naar die dossiers. In 1991 kreeg ik de mededeling dat de dossiers zouden kunnen zitten in het Brandenburgische Landes Hauptarchiv. Ik daar naar toe. Op een tafel lagen tien dikke dossiers onder het stof van de zaak Lüdke, met de mededeling dat in de kelder nog 340 dossiers over Lüdke lagen. Ik ben begonnen bij de laatste moord waarvoor hij gearresteerd was. Als je twintig jaar kans ziet uit handen van de politie te blijven, dan ben ik zeer geïnteresseerd hoe het dan kan, dat je na deze zoveelste moord gearresteerd wordt. Ik heb de verhoren 800 pagina's vergeleken met het rapport van de plaats van het misdrijf. Dat klopte niet. Daar zaten manco's in, in die twee. Ik ben diverse malen teruggegaan en heb alle belangrijke stukken gekopieerd. De analyse van de zaak kan ik niet in het archief doen, dat doe ik thuis.

Geleidelijk ontstond voor mij het beeld dat die bekentenissen vals waren. Lüdke heeft bekend dat hij 53 moorden heeft gepleegd. Men heeft hem buiten die 53 moorden nog naar dertig andere plaatsen gebracht en gevraagd heb jij die moord ook gepleegd? Die heeft hij ontkend. Later heeft men in publicaties die moorden toch aan hem toegekend.

Ik heb interviews gedaan in Duitsland en een boek hier over geschreven. In het Duitse blad Kriminalistik heb ik een samenvatting van mijn boek over deze zaak gepubliceerd. Mijn stelling is: het zijn valse bekentenissen, Lüdke heeft niet één moord gepleegd. Op mijn boek en artikel heb ik van de Duitse justitie en politie geen respons gekregen. Niemand spreekt het tegen. Een Duitse professor, criminoloog, een ex-spion van de KGB, beweert in een brief aan een Engelse misdaadschrijver, dat mijn verhaal eenzijdig zou zijn en dat de Berlijnse recherche in 1943 zoiets niet deed. Ik heb hem uitgedaagd zijn verhaal ook in het tijdschrift Criminalistik te publiceren. Tot op dit moment: geen letter.

Hoe kan het dat Bruno Lüdke al die valse bekentenissen heeft gedaan?.

Lüdke was een man van 35 jaar, een wat zwakzinnige figuur, woonde in Potsdam en stond bekend als 'domme Bruno'. Hij deed geen vlieg kwaad. Hij had ooit een konijntje gestolen tijdens de oorlog en werd betrapt toen hij dat beestje in de plaatselijke kroeg wilde verkopen. Hij was nog nooit buiten Potsdam geweest. Hij is bij een routine-onderzoek, naar aanleiding van een moord op een vrouw in het park te Potsdam, ondervraagd. Van iedereen met criminele antecedenten werd het alibi gecontroleerd. Dat is een heel zinnige zaak. Dat heb ik zelf ook veel gedaan. Hij is aangehouden en in Berlijn op het hoofdbureau verhoord. Na drie dagen verhoor werd hij mee genomen naar zijn huis in Potsdam om huiszoeking te doen. Zijn zwager en zus zagen hem met een opgezwollen oog, verwondingen aan zijn hoofd en een dikke lip. Zijn zwager vroeg wat er met hem aan de hand was. Bruno antwoordde: 'Als ik niet beken dat ik Frau Schulz heb vermoord, dan schieten zij mij dood. Zij hebben mij zo geslagen'. Hij heeft na mishandeling bekend en er is een band ontstaan tussen verhoorder en verdachte. De verhoorder heeft hem langs psychologische weg ingepakt.

Dit is een voorbeeld van het afronden van een verhaal vanuit het archief, vanuit interviews en ik ben ook op de plaatsen van de moorden geweest. Door het archiefonderzoek heb ik ook een fout ontdekt in de werkwijze van de reconstructie. Ik leg bloot dat hier groot onrecht is geschied, er blijft kortweg geen donder van over en er is geen hond die er op reageert.

Heeft u reacties ontvangen op uw publicaties in Nederland?

Hier krijg ik ten aanzien van de zaken die ik heb beschreven in 'Verdacht van moord. Reconstructie van zes dubieuze moordzaken' bijna dezelfde reactie: namelijk ook niks. Geen reactie. (van de bij de zaken betrokken politieautoriteiten) Ik krijg op mijn boeken wel veel positieve reacties uit de politiewereld. Zij vinden het mooi dat dit beschreven is, als een soort geschiedschrijving en vinden dat zij er veel van kunnen leren. Maar in 'Verdacht van moord' heb ik zaken beschreven (onder andere over de paskamermoord van 1984), waarbij ik regelrecht heb geschreven over politie-instanties, waarvan het onderzoek niet deugt. Uit die hoek heb ik geen reactie gekregen. Er is niemand die weerspreekt wat ik geschreven heb. De politiecultuur zit een beetje zo in elkaar dat, als men over iets zwijgt dan moet je heel voorzichtig gaan denken dat opgaat: wie zwijgt stemt toe, denk ik dan maar. Ik heb ook reacties gekregen van betrokkenen. Na het verschijnen van het boek 'de moord op Marietje van Os' werd ik benaderd door een jonger zusje van haar. Zij was blij dat het verhaal beschreven was. Ik heb ook jaren later, urenlang gesproken met ouders van vermoorde kinderen over het gebeurde. Zij hebben het -ik weet niet goed hoe ik het beschrijven moet- als een soort bevrijding ervaren. Dan heb ik het gevoel dat je iets goed gedaan hebt.

Bent u uitgenodigd op de politieacademie om te vertellen over fouten die gemaakt kunnen worden tijdens het onderzoek?

Dat heb ik jaren gedaan. Ik heb jaren gedoceerd aan de rechercheschool. Ik heb behalve deze boeken, een dik vakwerk geschreven 'criminele tactiek', waarin alle facetten staan van de criminele tactiek: over rechercheren, verhoren, valse bekentenissen, gijzelingen, narcotica, moordonderzoeken, infiltratie en ontvoering. Ik heb ook lezingen en cursussen gegeven voor de rechercheschool in Schotland, in Lissabon en in Amerika. Ik heb in Amerika een opleiding gehad bij de FBI in 1971.

Gaat de FBI nu heel anders te werk dan de Nederlandse politie?

Ja, daar zit toch wel een groot verschil in. Maar de taktiek is hetzelfde, die is over de hele wereld universeel. In Amerika is de werkwijze op het gebied van het politieverhoor toch wel wat anders dan hier, zeker wat ik zie als ethisch niet aanvaardbaar, daar hebben zij geen problemen mee. Ik noem het misleidend. Dat gebeurt hier ook wel. Ik zal een voorbeeld geven. Wanneer je tegen een verdachte zegt, die een moord ontkent - stel er is iemand doodgestoken en op het mes heb je geen enkel spoor gevonden- en je zegt tegen hem: 'Wat zou je er van zeggen, als jouw vingerafdrukken op dat mes zouden staan'. Dan suggereer je iets. Ik heb het dossier van een moordonderzoek uit 1994 onderzocht, een moord op een stewardess te Putten. Ik heb daarvan publiekelijk gezegd voor de televisie in een uitzending van een uur, dat die twee mannen die daarvoor tot tien jaar veroordeeld zijn, op valse bekentenissen zijn veroordeeld. Ik heb uitgelegd waarom en hoe dat gekomen is. Ik heb de dossiers bestudeerd, ik ben ter plekke geweest en ik heb die veroordeelden uren lang geïnterviewd in de gevangenis. Mijn uitspraak is door niemand weersproken. Er is niemand die in brand vliegt, dat zou ik wel gedaan hebben als ik chef recherche was, die dat moordonderzoek had geleid. Ik zou terstond de volgende morgen opgebeld hebben, om te vragen om dat te komen uitleggen.

Er worden niet alleen fouten gemaakt bij de politie, ook bij de rechterlijke macht. Die wordt door het politieonderzoek al op een verkeerd spoor gezet.

Aan een gerechtelijke dwaling gaat in de regel een politionele dwaling vooraf. In de zaak Giessen-Nieuwkerk was dat heel duidelijk. Er zijn fouten gemaakt tot aan de Hoge Raad toe. Ze hebben niet kritisch gekeken. Ze waren overtuigd dat is de moordenaar en waren daar niet meer van af te brengen. (In de zaak Giessen-Nieuwkerk werden onschuldigen veroordeeld op grond van onder druk afgelegde, valse getuigenverklaringen)

Door mijn vak heb ik geleerd om met feiten om te gaan.

Daarom zal ik nooit beginnen aan fictie-schrijven. Afgezien van de vraag of ik het zou kunnen, doe ik het niet omdat het mij niet interesseert. De werkelijkheid is veel spannender.

Je moet tijdens een onderzoek er voor waken dat je geen oogkleppen opzet. Je moet je steeds afvragen of het ook anders gebeurd kan zijn. Kan dit überhaupt zo. Gebrek hieraan heeft toch geleid dat mensen ten onrechte veroordeeld zijn.

Dat is ook gebeurd in de paskamermoord in 1984. Men heeft op een gegeven moment gezegd: dat is de moordenaar. Daar is op toegewerkt. (Een dikke aantekening verdient de ex-adjudant van politie, Sjoerd Bos van de gemeentepolitie Zaanstad. Hij richtte zich wel op de feiten. Zijn onderzoek werd echter van hogerhand tegengewerkt. Hij kostte hem uiteindelijk zijn aanstelling. Zijn verdachte bleek wel degelijk de dader, na later uitgevoerd DNA-onderzoek. De dader bleek een Amsterdamse junk, die in 1992 was gestorven. Note: Arjan Pothuizen).

Als mensen dan onder druk komen te staan en een tijdlang in de cel zitten, zijn zij in staat om op een gegeven moment de gekste dingen te bekennen. Ik zou u zo mensen kunnen aanwijzen, die als ik ze onder druk zet, de moord op Floris V bekennen.

Hoe gaat u te werk bij het reconstrueren van deze moordzaken. Heeft u een bepaalde methodiek?

Ik ga eerst inventariseren wat er in de archieven te vinden is aan stukken over een bepaalde moordzaak, processen-verbaal en dergelijke. Daarnaast maak ik een lijst van wat er over een zaak gepubliceerd is in kranten en in tijdschriften. Deze bronnen gaan overigens onder aan de stapel, want dat zijn niet altijd de meest betrouwbare bronnen, laat ik het genuanceerd zeggen. Het is wel zo dat de rechtbankverslagen die in de jaren twintig en dertig vrij nauwkeurig worden weer gegeven. Dat geeft een aardig beeld. Als ik aan het werk ga dan begin ik met de zaak te bestuderen. Ik zoek het logische begin op: hoe is die moord ontdekt, hoe heeft zich dat toegedragen, wat zijn er voor getuigen, hoe lang zit er tussen het ontdekken van de moord en de arrestatie, wat is de aanleiding geweest tot de arrestatie, hoe is het gegaan met de bekentenis - als die er is-, hoe is die bekentenis ondersteund door feiten, feiten die alleen een dader kon weten, of die beslist op de dader zijn terug te voeren. Dan bekijk ik de behandeling van de rechtbank en eventueel het beroep. De sfeer van de rechtszaal haal ik graag uit de rechtbankverslagen in kranten.

Naast het papieren onderzoek, doe ik graag interviews en ongeacht het aantal foto's, tekeningen en kaarten, ga ik als het even kan, ter plaatse kijken. Zelfs in de zaak Giessen-Nieuwkerk ben ik naar de plaats gegaan waar het stationnetje heeft gestaan, dat is inmiddels al lang afgebroken. Je ziet meer en je krijgt ook inspiratie.

Wat vindt u van het onderzoek doen in archieven?

Er is maar één nadeel aan: het is verslavend. Ik ben er nauwelijks weg te slaan. Ik kom dingen tegen die met mijn onderzoek niets te maken hebben, maar je blijft lezen. En ik denk dan, verrek, dat is ook interessant om te onderzoeken.

In het rijksarchief in Leeuwarden kwam ik een dossier tegen uit 1932, daar stond op 'misdragingen van gemeenteveldwachter zus en zo'. Integriteit en corruptie interesseren mij ook enorm. Ik wilde weten: was corruptie zoveel jaar geleden nu anders dan vandaag? En dan blijkt, dat altijd weer opgaat wat ik al zo dikwijls gezegd heb. Alle corruptie-indicerende factoren zijn te herleiden tot dames, drank, dubbeltjes, dobbelen, dalven, drugs en dirty tricks. Dat bleek in deze zaak ook: drank en vrouwen speelden een rol. In dat dossier vond ik een keurig getypt rapport van een rijksveldwachter uit 1932. Dat rapport was opgemaakt door mijn vader. Dan zie ik dat voor mij, ik was toen vier jaar oud: hij zittend achter de typemachine terwijl, er zes kinderen in dat huis rondkropen. Het bureau was aan huis.

Ik had nooit eerder archiefonderzoek gedaan. De eerste keer dat ik archiefonderzoek deed in het Algemeen Rijksarchief in Den Haag werd me dat even voorgedaan en dacht ik Jezus...wat ingewikkeld. Je moet in dat boek zoeken en dan dat en dan weer in wat anders. Maar ik heb er nu een zekere routine in gekregen. Als ik iets belangrijks gevonden heb, dan heb ik een goede dag gehad. Met archiefonderzoek ben ik gewoon weer aan het rechercheren, nu op een andere manier en dat vind ik heerlijk werk.

Wat is het doel van uw publicaties?

Ik heb altijd graag gewerkt en ik wil graag aan het werk blijven in een volstrekt onafhankelijke positie. Het is mijn liefhebberij. Ik vind dat er in Nederland op het gebied van feiten wat de politie betreft in de misdaadsfeer nauwelijks iets is. Ik vond dat ik een stuk geschiedschrijving moest schrijven. Mijn zesde boek ben ik aan het afwerken en ik weet al wat het zevende en het achtste boek gaat worden.

U vertelde dat de rechtbankverslagen in de jaren twintig heel goed waren: correct en zeer gedetailleerd. Hoe is de verslaggeving in de kranten tegenwoordig?

Tegenwoordig vind je een slechte, summiere, oppervlakkige weergave van wat er allemaal besproken is op de rechtszitting. Daar was men vroeger veel gedetailleerder in. Voor hetzelfde geld kun je ook de vraag stellen: waarom besteedde men in de jaren zestig en zeventig veel meer aandacht aan een moordzaak, dan vandaag de dag. Een moord is tegenwoordig verdwenen naar de vierde of vijfde pagina. Ik had altijd tijdens een moordzaak regelmatig contact met de pers. In de zeventiger jaren is er de klad in gekomen. Het is allemaal oppervlakkiger geworden. Een echt goed gedetailleerde ondervraging vind je niet meer in de kranten. Om die sfeer in de rechtszaal te proeven heb je ze toch nodig. Bepaalde interessante details staan niet in de officiële stukken zoals het proces-verbaal en het vonnis en die staan vaak wel in de krant. Maar ik ben wel voorzichtig met wat er over de feiten in staan.

Kan uw onderzoek ook een bijdrage leveren aan het methode van het recherche-onderzoek? Zou het nuttig zijn voor aankomend rechercheurs om ook archiefonderzoek te doen?

Ja, zeer zeker. Ik heb altijd veel gelezen over wat anderen over het vak hebben geschreven. Mijn werk zet mensen aan het denken, dat merk ik ook aan de reacties die ik krijg. Ik schrijf heel concreet: daar is het scheef gegaan en mensen herkennen zich in de verhoorsituaties en dus is het leerzaam. In de vakliteratuur schrijf ik heel anders. Meer recht toe recht aan. Mijn boeken zijn geschreven voor de geïnteresseerde leek. Ik kom dingen tegen en beschrijf dingen waarvan je zegt, als je ze in een fictieboek zou zetten, dan zouden de mensen zeggen, dat is overdreven.

In uw boeken beperkt u zich tot de zaak. Hoe het verder is gegaan met een rechercheur die grote fouten heeft gemaakt of een familie van het slachtoffer, bij voorbeeld van Marietje van Os, beschrijft u niet.

Ik beperk mij tot de feiten. Over die moord op dat meisje Lijntje Huizer, die zestien jaar onopgemerkt is gebleven bijvoorbeeld. Dat is voor die moeder iets verschrikkelijks geweest. Dus cijfer ik dat helemaal weg. Ik heb ook bewust de vermelding van bepaalde familierelaties in een verhaal achterwege gelaten. Ik vermeld bijvoorbeeld niet dat er twee kinderen waren. Ik ga wel na of mensen nog leven. Ik zoek over het algemeen geen contact. Dat zou een journalist misschien doen. Ik heb wel 25 jaar na de moord op een meisje contact gezocht met de ouders van het 12-jarige meisje Rinie Wielheesen (1970), om aan te kondigen dat ik er over geschreven heb.

U beschrijft relatief veel kindermoorden. Zijn kindermoorden de ergste gevallen?

Ja, o ja. Ik heb stage gelopen in Chicago toen ik zelf nog nauwelijks moordonderzoek had gedaan. Ik heb gevraagd aan de rechercheurs of je aan moord op kinderen ooit went. Nee, dat went nooit. Zeker nadat ik zelf kinderen heb gekregen, dan is het toch weer anders, heb ik ervaren. In een bespreking van mijn laatste boek door de Volkskrant, werd geopperd, dat de moord op een politieman bij mij het zwaarste zou wegen. Dat is niet zo. Een moord op een politieman spreekt mij zeer aan, doodgewoon omdat het een collega is. Dat zijn ongelooflijke tragedies. Bij de moord op kinderen moet de onderste steen boven komen, om de dader te pakken. Je moet wel oppassen dat je niet met z'n allen de verkeerde richting op holt, omdat je zo verdomd graag wil, dat hij het is.

Heeft de zaak Giessen-Nieuwkerk ook nog gevolgen gehad voor de rechterlijke macht?

Ik weet niet hoe dat afgelopen is. In een almanak zag ik dat de meeste zijn blijven zitten. De rechterlijke macht is onafhankelijk. Het meest kwalijke in de zaak Giessen-Nieuwkerk vind ik dat de rechercheur processen-verbaal schrijft, die alleen bestemd zijn voor de officier van justitie, geheime rapporten. De president van de rechtbank heeft ze gehad ad informandum. Nu heb ik ze hier in het rijksarchief in Noord-Holland gelezen. Als je er drie of vier gelezen hebt van de 21 dan zeg je hé, hier kloppen dingen niet. Daar heb je gewoon wat recherche-inzicht voor nodig.

Is dat nog steeds gewoonte, die geheime rapporten?

Nu zijn we in de negentiger jaren. Nu heb je de geheime trajecten van de CID. Ik heb daar tegen geageerd, daar reageert trouwens ook niemand op. Ik geef u een concreet voorbeeld: de ballpointaffaire. Daar wordt een dossier vernietigd, terwijl de rechter heeft bepaald, dat dat stuk aan de rechtbank moet worden gegeven en die beoordeelt of dat stuk prijsgegeven kan worden. Wat doet de politie dan: die vernietigt dat stuk. Waarom? Vermoedelijk om de informant te beschermen. Wanneer de politie zegt, dat zij de identiteit van een informant willen beschermen, zeg ik, een naam van een informant kun je ook aanduiden met een nummer. En in een afzonderlijke kaartenbak kun je dan zien wie dat dan is. Nou weet ik wel, dat als je een compleet verhaal leest, je in een aantal gevallen, het is te herleiden, wie dat was. Maar het gaat er om of de feiten kloppen en als je in zo'n zaak gaat rotzooien, zoals in de ballpointzaak... Ik zou die zaak best willen onderzoeken. Het zou de moeite waard zijn om dat dossier te bestuderen. Maar dat belangrijke stuk is vernietigd.

 

Tot zover.

 

Wij spraken de heer Blaauw enkele keren in de moordzaak van 1923 te Culemborg. Blaauw had hierin uitgebreid archiefonderzoek gedaan en liet de feiten spreken die soms mooier zijn dan de geruchten. Deze geruchtenstroom in deze zaak was uiteindelijk voor het gerechtshof te Arnhem reden om bepaalde verdachten alsnog te verhoren. Het kwaad was echter al geschied, te lang geleden.....Leden uit de beruchte familie Colle uit Culemborg waren wel degelijk betrokken bij de moord; zeker bij het vervoer der verdachten (bloed werd in de vluchtauto in de winter weggewassen! en vlak voor de moord werd de auto voorzien van  valse kentekenplaten.....). Zij hadden valse brieven verzonden om de politie te Culemborg en Utrecht op het verkeerde been te zetten.....Slechts veroordeling voor meineed viel hen ten deel.......

Blaauws boodschap: houd je aan de feiten!!